Contexten VWO (t/m 20-21).

Sinds 2015 wordt op het centrale examen de gehele geschiedenis bevraagd. Onder andere via de tien tijdvakken met hun kenmerkende aspecten (KA's) uit het historisch overzicht. Maar ook via vier historische contexten voor VWO. De historische contexten vormen een verdieping van een aantal kenmerkende aspecten (KA's) d.m.v. leidende vragen, beschrijvende teksten en historische voorbeelden. De historische contexten zijn uitgewerkt in aparte katernen.

Hieronder vind je de vier historische contexten die gelden voor 6 VWO tot en met schooljaar 2020-2021.

Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1515-1648).

De historische context van de Republiek draait om de onderstaande drie leidende vragen en bijbehorende kenmerkende aspecten (KA's).

1. Waardoor brak er opstand uit in de Nederlanden (1515-1572)?

 

Kenmerkende Aspecten:

14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden. 

17. Het begin van staatsvorming en centralisatie.

21. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had. 

23. Het streven van vorsten naar absolute macht.

2. Waardoor resulteerde de opstand in het ontstaan van de Republiek (1572-1588)?

 

Kenmerkend Aspect:

22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

3. Waardoor ontstond in de Republiek de Gouden Eeuw (1588-1648)?

Kenmerkende Aspecten:

24.De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

25.Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Duitsland (1871-1945).

De historische context van de Duitsland draait om de onderstaande drie leidende vragen en bijbehorende kenmerkende aspecten (KA's).

1. Wat betekende de vorming van het Duitse Keizerrijk voor het machtsevenwicht tussen de Europese grootmachten (1871-1918)?

Kenmerkende Aspecten:

31. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.

33. Moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.

36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: conservatisme, nationalisme, liberalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

40. Het voeren van twee wereldoorlogen.

43. Verwoesting op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.

2. Welke factoren leidden tot de ondergang van de Republiek van Weimar (1919-1933)?

Kenmerkende Aspecten:

37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

39. ​De crisis van het wereldkapitalisme.

3. Welke gevolgen had het nationaal-socialisme voor Duitsland en Europa (1933-1945)?

Kenmerkende Aspecten:
37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

40. Het voeren van twee wereldoorlogen.

41. Racisme en discriminatie leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden.

Koude Oorlog (1945-1991).

De historische context van de Koude Oorlog draait om de onderstaande vier leidende vragen en bijbehorende kenmerkende aspecten (KA's).

1. Waardoor raakte Europa verdeeld in twee ideologische blokken en waardoor groeide de spanning tussen deze blokken (1945-1955)?

Kenmerkende Aspecten:

37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

40. Het voeren van twee wereldoorlogen.

43. Verwoesting op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

47. De eenwording van Europa.

2. Waardoor liep de Koude Oorlog op kritieke momenten niet uit op een directe militaire confrontatie tussen beide grootmachten (1955-1963)?

Kenmerkende Aspecten:

37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

3. Waardoor namen de spanningen tussen Oost en West af (1963-1991)?

Kenmerkende Aspecten:

37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

47. De eenwording van Europa.

48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren’60 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.

4. Waardoor raakte Azië betrokken bij de Koude Oorlog en groeide de spanning tussen beide blokken in Azië en Afrika (1949-1975)?

Kenmerkende Aspecten:

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

46. De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld.

48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren’60 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.

Verlichtingsideeën en democratische revoluties (1650-1848).

De historische context van de verlichtingsideeën en democratische revoluties draait om de onderstaande drie leidende vragen en bijbehorende kenmerkende aspecten (KA's).

1. Welke ideeën ontstonden tijdens de Verlichting over de ideale samenleving (1650-1789)?

Kenmerkende Aspecten:

23. Het streven van vorsten naar absolute macht.

26. De wetenschappelijke revolutie.

27. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

28. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

2. In welke mate is de Franse Revolutie verlicht te noemen (1789-1815)?

Kenmerkende Aspecten:

23. Het streven van vorsten naar absolute macht.

27. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

30. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

3. Welke invloed had de Verlichting op de politieke cultuur (1815-1848)?

Kenmerkende Aspecten:

28. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

30. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: conservatisme, nationalisme, liberalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

DOMEIN A & B

Domein A is het historisch besef en domein B oriëntatiekennis. 

De historische contexten zijn brede onderwerpen die binnen deze domeinen behandeld worden. De bedoeling is dat je deze contexten kunt verbinden aan de tien tijdvakken en de bijbehorende kenmerkende aspecten.

Deze domeinen worden getoetst op het schoolexamen (SE) en het Centraal Schriftelijk Eindexamen (CSE) in mei.