Contexten HAVO (vanaf 20-21).

Sinds 2015 wordt op het centrale examen de gehele geschiedenis bevraagd. Onder andere via de tien tijdvakken met hun kenmerkende aspecten (KA's) uit het historisch overzicht. Maar ook via drie historische contexten voor 5 HAVO. De historische contexten vormen een verdieping van een aantal kenmerkende aspecten (KA's) d.m.v. leidende vragen, beschrijvende teksten en historische voorbeelden. De historische contexten zijn uitgewerkt in aparte katernen.

Hieronder vind je de drie historische contexten die gelden voor 5 HAVO vanaf schooljaar 2020-2021.

Het Britse Rijk (1620-1900).

De historische context van het Britse Rijk draait om de onderstaande drie leidende vragen en bijbehorende kenmerkende aspecten (KA's).

1. Op welke manieren ontwikkelden zich de Engelse koloniën in de Amerika's (1585-1833)?

 

Kenmerkende Aspecten:

18. Het begin van de Europese overzeese expansie.

21. De protestantse Reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.

25. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

27. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

29. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van de plantagekolonies en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

30. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

2. Waardoor werd India in de 19de eeuw de belangrijkste kolonie binnen het Britse Rijk (1765-1885)?

Kenmerkend Aspect:

25. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

29. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van de plantagekolonies en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

31. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.

33. Moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.

34. De opkomst van emancipatiebewegingen.

3. Welke rol speelden de koloniën in sociaal-economische ontwikkelingen in Groot-Brittannië (1750-1900)?

Kenmerkende Aspecten:

31. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.

32. Discussies over de sociale kwestie.

33. Moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.

35. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: conservatisme, nationalisme, liberalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

Duitsland in Europa (1918-1991).

De historische context van Duitsland in Europa draait om de onderstaande drie leidende vragen en bijbehorende kenmerkende aspecten (KA's).

1. Wat leidde tot de opkomst van het nationaalsocialisme en welke gevolgen had dit voor Duitsland en Europa (1918-1945)?

Kenmerkende Aspecten:

37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

39. De crisis van het wereldkapitalisme.

40. Het voeren van twee wereldoorlogen.

41. Racisme en discriminatie leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden.

42. De Duitse bezetting van Nederland.

2. Hoezeer beïnvloedde het bestaan en het verloop van de Koude Oorlog de geschiedenis van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog (1945-1961)?

Kenmerkende Aspecten:

37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

47. De eenwording van Europa.

48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren’60 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.

3. Wat verklaart de hereniging van beide Duitslanden en hun succesvolle integratie in Europa (1961-1991)?

Kenmerkende Aspecten:
45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

47. De eenwording van Europa.

48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren’60 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.

Nederland (1945-2008).

De historische context van Nederland draait om de onderstaande twee leidende vragen en bijbehorende kenmerkende aspecten (KA's).

1. Waardoor veranderden de maatschappelijke verhoudingen in Nederland van 1948 t/m 1978?

Kenmerkende Aspecten:

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

46. De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld.

47. De eenwording van Europa.

48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren’60 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.

49. De ontwikkeling van de pluriforme en multiculturele samenlevingen.

2. Waardoor veranderden de maatschappelijke verhoudingen in Nederland van 1978 t/m 2008?

Kenmerkende Aspecten:

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

47. De eenwording van Europa.

48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren’60 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.

49. De ontwikkeling van de pluriforme en multiculturele samenlevingen.

DOMEIN A & B

Domein A is het historisch besef en domein B oriëntatiekennis. 

De historische contexten zijn brede onderwerpen die binnen deze domeinen behandeld worden. De bedoeling is dat je deze contexten kunt verbinden aan de tien tijdvakken en de bijbehorende kenmerkende aspecten.

Deze domeinen worden getoetst op het schoolexamen (SE) en het Centraal Schriftelijk Eindexamen (CSE) in mei.